Krijgt Smalhout 54 jaar later weer gelijk?
Er is iets merkwaardigs aan hoe we in de zorg naar risico’s kijken. In de OK accepteren we geen afwijking van het protocol als het om medicatie, time-outs of steriliteit gaat. Maar als het gaat om wie er naast het hoofd van de patiënt staat, lijken we ineens verrassend flexibel. Minister Mirjam Sterk ziet geen noodzaak om anesthesiemedewerkers op te nemen in het BIG-register. Onnodige regulering, zo stelt ze, leidt tot administratieve lasten, minder flexibiliteit en hogere kosten. Op papier klinkt dat logisch. De OK is immers een strak georganiseerd systeem, met een anesthesioloog op de achtergrond en duidelijke verantwoordelijkheden.
Maar papier is geduldig. De praktijk niet.
Want diezelfde praktijk laat iets anders zien. Anesthesiemedewerkers en operatieassistenten trekken aan de bel: ongekwalificeerd personeel dat wordt ingezet tijdens operaties, leerlingen zonder adequate supervisie, situaties waarin “even bijspringen” langzaam verschuift naar structureel invullen. Dat zijn geen incidenten meer, dat zijn signalen.
En signalen in de OK negeren we normaal gesproken niet.
Misschien is dat wel de grootste ironie: sinds Smalhouts “De dood op tafel” weten we exact wat er kan gebeuren als we risico’s in de anesthesie onderschatten, maar vijftig jaar later discussiëren we nog steeds over hoe hard we die veiligheid willen vastleggen. Toen ging het om monitoren, opleiding en protocollen; nu om de vraag of we het beroep van anesthesiemedewerker juridisch willen borgen in het BIG-register. De vorm is veranderd, de spanningslijn niet: de mensen aan de tafel zien waar het mis kan gaan, terwijl het systeem aarzelt om de volgende stap te zetten.
Het argument dat de zorg ‘planbaar’ is en dat er altijd een anesthesioloog beschikbaar is, voelt voor wie op de werkvloer staat wat theoretisch. Beschikbaar is niet hetzelfde als aanwezig. En toezicht op afstand is iets anders dan directe, deskundige observatie aan het bed. Juist daar zit de waarde van de anesthesiemedewerker: continuïteit, anticipatie, en het herkennen van subtiele veranderingen voordat ze een probleem worden.
De vraag is dus niet alleen of wettelijke regulering administratieve lasten toevoegt. De vraag is ook wat het kost als je het níét doet.
Want als functietitels niet beschermd zijn, ontstaat er rek. En rek in de OK betekent zelden iets goeds. Het begint met uitzonderingen, wordt gelegitimeerd door personeelstekorten en eindigt in een nieuw normaal waarin grenzen vervagen. Totdat het een keer misgaat—en dan blijkt ineens dat iedereen dacht dat iemand anders verantwoordelijk was.
Interessant genoeg kiest dezelfde overheid er wél voor om de MHAZ op te nemen in het BIG-register, juist vanwege de context van acute zorg zonder directe supervisie. Maar wie denkt dat de OK altijd een gecontroleerde, volledig afgedekte omgeving is, heeft waarschijnlijk al even niet meer op een krap bezette OK-lijst gestaan.
Dit gaat uiteindelijk niet over registers of regels. Het gaat over professionele standaarden en de vraag hoe hard we die willen borgen. Vertrouwen op het systeem is prima—maar alleen als dat systeem ook bestand is tegen de druk waaronder het dagelijks opereert.
En misschien is dat de kern van het ongemak: we willen flexibiliteit organiseren in een omgeving die per definitie weinig ruimte laat voor improvisatie.
In de OK zeggen we vaak: “We bereiden alles voor op het onverwachte.” Misschien geldt dat ook voor beleid.